| |
| Van oktober 1848 tot 30 april 1855 heeft het gezin gewoond in Zuidbroek. Van 30 april 1855 tot 12 oktober 1872 in Het Meer, nummer 37, boven Heerenveen. Van 8 augustus 1872
tot 13 september 1886 op de Ymedaem bij Molkwerum. Vanaf 13 september 1886 in Balk. |
| De oudste dochter Elisabeth is in Heerenveen getrouwd en is daar blijven wonen. Everdina, Roelf, Jacob en Jan zijn getrouwd op het gemeentehuis in Koudum. Everdina bleef achter in Koudum en is later met haar gezin naar Amsterdam vertrokken. Jacob vestigde zich eerst in Stavoren en is later geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Roelf, Jan en Maria gingen mee naar Balk. |
| |
| Zuidbroek |
| |
 |
| rechts het gemeentehuis te Zuidbroek rond 1900 |
| kaart van de gemeente Zuidbroek uit 1868 |
| |
| Volgens de geboorteakten van hun kinderen was Johannes Groenewold olieslagersknecht wonende te Zuidbroek in de periode 1848 -1855. Zuidbroek had in die tijd volgens de molendatabase verdwenen molens één oliemolen. Deze lag aan de noordzijde van het Winschoterdiep. Ergens ter hoogte van het huidige adres Winschoterdiep 34. |
| Albert Oomkes Kemper (*1814 te Wildervank) was korenmolenaar te Wildervank. In 1845 verkopen de erven van Oomke Fockes Kemper (de vader van Albert), overleden in 1838, de koren- en runmolen aan het Westerdiep te Wildervank. Zijn vrouw was Jantje Alberts Groenewold overleden in 1845, een zus van Lizabeth Alberts Groenewold de moeder van Johannes. |
 |
 |
| bron: Groninger Courant van 14 november 1845 |
| |
| De korenmolen gebouwd door Oomke Fokkes Kemper te Wildervank in 1827 op foto vastgelegd rond 1920 |
| bron: www.molendatabase.nl verdwenen molens >>> |
| |
| In 1846 bouwde Albert Oomkes Kemper een oliemolen in Zuidbroek. Waarschijnlijk koopt hij een stuk grond, perceel Zuidbroek D 400, aan het Winschoterdiep van de erven Hindrik Koops, logementhouder te Zuidbroek. Dat perceel komt aardig overeen met de locatie van de oliemolen van Kemper genoemd in de molendatabase verdwenen molens. Deze veronderstelling moet ik nog verder uitzoeken. De molen wordt compleet verwoest bij een brand in 1872. |
| Volgens het bevolkingsregister 1850-1860 van de gemeente Zuidbroek woonden de familie Johannes Groenewold en Albert Kemper naastelkaar. In ieder geval haden ze opeenvolgende huisnummers. |
 |
| bron: www.molendatabase.nl verdwenen molens |
 |
 |
| bron: Nieuwe Veendammer courant van 11 september 1872 |
| |
| bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant van 16 september 1872 >>> |
| |
| 't Meer |
| |
| Gebouwd als oliemolen op een vergunning uit 1853, hij staat al als oliemolen op de kaart van Wopke Eekhof uit 1854. De eerste eigenaar was Edske Smit Jzn, die in 1856 een stoommachine liet bijplaatsen. Toen het jaar daarop de korenmolen in De Knipe verviel, werd de molen ook als korenmolen ingericht met twee paar stenen. Sinds 1863 werd de molen door Smit in vennootschap met Meine Meinesz Azn. gedreven. Meine was de zoon van de burgemeester van Schoterland, de gemeente waarin de molen toen lag, en bracht het nodige geld in. Meinesz nam het molenbedrijf alleen ter hand toen Smit in 1865 een smederij in het centrum van Heerenveen startte. Op 15 april 1872 brandde de molen tenslotte af. |
| bron: www.molendatabase.nl |
| |
| Hoe krijgt iemand uit Zuidbroek in de provincie Groningen een baan als molenaarsknecht in Friesland? |
| De eerste connectie is dat de bouwer en eigenaar Edske Jans Smit ( * 1830 Hoogezand - † 1916 Sneek) van de molen bij Heerenveen afkomstig was uit Sappemeer in de provincie Groningen. |
De tweede connectie is / zijn de vorige bewoners van de woning waar het gezin Groenewold in 1855 ging wonen. Op 12 november 1853 vertrekt het gezin van timmerknecht Fedde Pieters Byliam. In dezelfde maand werden molenaarsknecht Willem Beerta en zijn vrouw Willemina Grasmeijer ingeschreven op dat adres. Ze kwamen uit Zuidbroek en vertrokken in 1855 naar Sappemeer. De tweeling Klaas en Grietje Beerta zijn er op 28 december 1853 geboren. |
| |
 |
| het gemeentehuis van de gemeente Schoterland te Heerenveen van 1830 - 1950, op deze foto rond 1900 |
| kaart van de gemeente Schoterland uit 1868 |
| |
 |
| Het gezin Groenewold woonde van 30 april 1855 - 12 oktober 1872 aan Het Meer bij Heerenveen op nummer 37 |
| Deze foto is niet de exacte locatie waar het gezin Groenewold woonde. De oliemolen waar Johannes werkte stond verderop richting De Knipe. De woning links op de foto is waarschijnlijk nu (2026) het adres Het Meer 67 . |
| In de periode van 16 mei 1870 tot 18 januari 1871 heeft het gezin in Wolvega gewoond. |
| |
 |
| bron: google streetview juni 2025 |
| De woning met rieten dak heeft nu het adres Het Meer 185. Rond 1855 stond hier een rijtje van drie éénkamerwoningen later uitgebreid naar vier. Het gezin Groenewold woonde in de linker woning. De oliemolen "De Hoop" stond links achter deze woningen. Van de molen is geen foto bekend. |
 |
| bron: www.allefriezen.nl / verbeterd met Chatgpt |
| Uit de verkoopakte dd 31 juli 1872 waarin Meine Meinesz het molenterrein met de woningen te koop aanbied. |
| |
HET MEER
Lopende vanaf de "Heideburen" en de "Nieuweburen" bij "De Opslach" tot de grens met 'De Knipe', ongeveer 50 meter noord-oostelijk van de "Woudsterweg".
Werd in 1852 bestraat (althans verhard), in het kader van aanleg van de straatweg Heerenveen - Langezwaag.
Besluit naamgeving van 30 januari 1951.
Het Meer is oorspronkelijk een langgerekte buurtschap. Tot 1841 was hier, nabij de voormalige Asbrug, de R.K. kerk van Heerenveen. Na de tweede wereldoorlog is "Het Meer" administratief bij Heerenveen getrokken en is sindsdien geen afzonderlijk dorp meer maar een straatnaam (raadbesluit van 30 januari 1951).
Voor wat betreft de betekenis van de naam 'Het Meer' citeren wij hier een artikeltje van de hand van W.H. overgenomen uit het Nieuwsblad van Friesland van 9 juni 1933. "Gewoonlijk wordt de naam 'Het Meer' gehouden voor het Nederlandsche woord "meer", waarmee een waterplas wordt aangeduid. Friesch sprekenden en schrijvenden 'vertalen'het dan ook met "it Mar".Zulks is echter onjuist en op die wijze wordt een echt, oud Friesch woord geweld aangedaan. De naam "Het Meer" heeft n.l. niets met een waterplas te maken en de Friesche naam is niet Mar, doch Mear of Maer. Dit oude woord betekent niets anders dan grens of grensscheiding. Zoo is in de oude Friesche stukken b.v. sprake van de "Hemriks Maer".waarmede wordt bedoeld de grens van de hemrik, meestal een sloot. In het onderhavige geval is It Mear de oude Friesche naam voor de grens tusschen Aengwirden en Schoterland. Men meent wel eens , dat de naam zou ontstaan zijn door vroeger hier aanwezige plassen. Zulks is echter niet het geval; het woord is veel ouder dan de veenplassen die vroeger ten noorden van it Mear lagen. Ten aanzien van de plaatsnaam Het Meer heft het Nederlandsch ons dus parten gespeeld en op een dwaalspoor gebracht. Zulks komt met aardrijkskundige namen in Friesland wel vaker voor”.
Noot: waarschijnlijk is W.H. Willem Hielkema, geb. 1888 Gorredijk, overl. 1944 Leeuwarden, jounalist o.a. Leeuwarder Courant.
Zie verder ook het uitgebreide artikel over deze naamgeving van de heer Westerdijk in de Veenbrief van april 2001.
Bij de oprichting van de Dekema-, Cuijck- en Foeyts-veencompagnie, was het Meer een groot veenmoeras. Voor de drooglegging hiervan in de 16e eeuw werd eerst de Heeresloot/Compagnonsvaart gegraven, waardoor het overtollige water kon worden afgevoerd. De boeren in Akmarijp en Terhorne deden de Compagnons een proces aan, daar zij er niet van gediend waren dit vuile water bij hun landerijen te hebben. De macht van de heren Compagnons was toen al zo groot, dat geen enkele advocaat in Leeuwarden de belangen van deze boeren durfde verdedigen. Dit was overigens wel begrijpelijk, omdat van Dekema lid was van de Hove van Friesland, waarvoor ze moesten verschijnen.
Het herenhuis 'Voormeer' dateert van plm. 1600 en is in 1800 grondig verbouwd.
In het kader van het Prinsenwijkplan is in 1969/70 de Schoterlandsche Compagnonsvaart tot in De Knipe gedempt en van een asfaltwegdek voorzien. |
| bron: www.heerenveen.nl |
| |
| Ymedam |
| |
 |
| het gemeentehuis van de gemeente Hemelumer Oldeferd en Noordwolde te Koudum rond 1900 |
| kaart van de gemeente Hemelumer Oldeferd en Noordwolde uit 1868 |
| |
| In 1872 kwam Meine Annes Meinesz, op verzoek van burgemeester Van Swinderen, terug naar Gaasterland om de olieslagerij op de Ymedaem van de ondergang te redden. Meine kende de kneepjes van het vak, omdat hij in Heerenveen een soortgelijk bedrijf had. |
| Johannes Jacobs Groenewold verhuisde in oktober 1872 met zijn gezin naar de Ymedaem. Ze gingen wonen in één van de arbeiderswoningen bij de fabriek, op nummer B18. In Heerenveen verdiende Johannes zijn geld als olieslagersknecht. Het zou zo kunnen zijn dat zijn baas in Heerenveen Meine Annes Meinesz was en dat die hem heeft gevraagd om hem te helpen de olieslagerij op de Ymedaem te redden. De zonen Jacob, Roelf en Jan hebben ook gewerkt in de fabriek op de Ymedaem. |
| In het begin verliep alles voorspoedig maar omstreeks 1875 kwam er een terugval. De eek werd door kunststof vervangen en in de landbouw kon Nederland niet op tegen de massaproductie uit Amerika; bovenal sloot Duitsland de grenzen terwijl ons land het stelsel van vrije handel in ere hield. Daar kon de Jonkheer niet tegenop. Er werd nog een ander, sterker stoomgemaal gebouwd, maar in 1887 kwam de tijding uit Rijs: ophouden. Het werk lag stil en de huizen kwamen leeg te staan. |
| In 1886 verhuisde de 61 jarige Johannes Groenewold met zijn vrouw naar Balk. |
| |
 |
| Het stoomgemaal en later olieslagerij op de Ymedaem aan de kant van Molkwerum van de Warnservaart. |
| Van 8 augustus 1872 tot 13 september 1886 woonde het gezin op de Ymedam in één van de arbeiderswonignen rechts op de foto naast het stoomgemaal met olieslagerij. |
| |
| DE YMEDAEM |
| In het voorjaar van 1851 heeft jonkheer J.H.F.K. Gerlacius van Swinderen uit Gaasterland een stoomgemaal gebouwd om It Flait, ongeveer 100 ha., droog te malen, de eerste in Friesland die voor dit doel gebruikt werd en daardoor veel indruk maakte. Toen de polder droog was, werd het nieuwe land vlak gemaakt, sloten gegraven en boerderijen gebouwd. Daar bleef het niet bij. De jonkheer richtte ook een eekmalerij op; dit werd gewonnen van de bast van jonge eike stammen door het aan het einde van de vorige eeuw (lees 19e eeuw) in de Gaasterlandse bossen bekende eikekloppen; in het voorjaar ’s morgens vroeg vooral door kinderen uitgevoerd zodat in de verre omtrek van het bos het slaan van de hamers tegen de stammen gehoord werd. Wanneer de bast goed droog was , werd hij tot een fijne poeder vermalen. De zo gewonnen eek werd samen met urine bij het looien van leer gebruikt, maar ook voor het tanen van touw, netten en zeildoek. |
| |
| Op de Ymedaem kwam in de loop van de tijd nog een houtzagerij, een machinefabriek en een olieslagerij te staan en alles werd toen voor eerst aangedreven door stoomkracht. Voor de benodigde arbeiders liet de Jonkheer een vijftiental huisjes bouwen. Behalve hem was Wabe de Jong uit Koudum bij de onderneming betrokken. Tezamen richtten de heren de “Firma W.J. de Jong en Co” op, handelaren in gezaagde en ongezaagde houtwaren, gemalen run, raap- en lijnkoeken. Ze hadden ook een eigen kofschip, “De Onderneming”, met K.R. Kooiman als kapitein. Het was net alsof de oude tijden weer terug waren want net als toen werd het hout uit Scandinavië gehaald. De lijnolie, geperst uit het zaad van vlas, werd gebruikt in de industrie, onder andere voor het maken van verf. Wat van de vrucht overbleef werden lijnkoeken gemaakt voor het vee. |
 |
| In 1925 ging het stoomgemaal tegen de vlakte. Een elektrisch gemaal kwam er voor in de plaats om de polder droog te houden. |
| bron:
Himmelumer Aldefurd en Noardwâlde door dr. G. Abma |
| bron: Jelle Meinesz en nazaten in Gaasterland door Aafke Meinesz |
| aangevuld met eigen gegevens |
| |
 |
 |
| bron: Leeuwarder Courant van 3 juli 1925 |
| |
 |
| bron: Het nieuws van den dag van 20 november 1877 |
| |
 |
| bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 21 november 1877 |
| Helaas in de lokale kranten over de uitgeloofde premie niets kunnen vinden. Ook niet over de geredde drenkeling en wanneer en waar de redding heeft plaats gevonden. |
| Johannes ontving in november 1877 een premie van fl 31,50 "voor de redding van een schijnbaar leevenlooze drenkeling". Een dergelijke premie werd in die tijd uitgeloofd door de Maatschappij tot redding van Drenkelingen "aan hen die kunnen aantoonen, binnen het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandsche Koloniën, of aan boord van een schip onder Nederlandsche vlag, een schijndooden drenkeling of iemand, die ten gevolge van bevriezing, verhanging enz. in schijndooden toestand verkeert, tot het leven teruggebracht hebben. Deze premie bestaat, ter keuze van den redder, óf in de gouden medaille der Maatschappij met vermelding daarop van den naam des reders, benevens de plaats waar en het jaar waarin de redding heeft plaats gegrepen; óf in een geldsom ten bedrage van een-en-dertig gulden en vijfitg cents; óf in de zilveren medaille, met vermelding als boven, en zeven-en-twintig gulden aan geld óf eindelijk (=als laatste) in het kistje met instrumenten, tot gebruik bij behandeling van schijndooden. .... etc" |
| |