In 1962 droeg Jan Imkes Meinsma de zaak over aan zijn zoon Henk Meinsma en zijn vrouw Harmke. Personeelsschaarste en de voortschrijdende automatisering in het bakkersbedrijf maakten het noodzakelijk om de bestaande broodwinning beter op elkaar af te stemmen. Dit leidde tot een vorm van samenwerking tussen de bakkers De Roest,
Sloterdijk, Visser en Meinsma. Het pand van de
familie de Roest aan het Westeind werd aangekocht en tot een bakkerij verbouwd, die aan de toenmalige eisen voldeed. In die periode kwam de levering van bakkerij-produkten aan de zogenaamde koude bakkers, die hun eigen produktie hadden stopgezet maar de verkoop handhaafde, op gang.