| |
 |
| bron: www.hisgis.nl |
| Kadastrale kaart uit 1832 |
| |
|
bron: Leeuwarder Courant van 5 november 1852 |
| |
|
| prentbriefkaart 024-025 beschikbaar gesteld door Durk Wortman |
De scheepstimmerwerf van de gebroeders van der Werf aan de Meerweg rond 1900. Op deze plaats zijn later woningen gebouwd. Het groepje woningen werd in de volksmond De Helling genoemd. In de Luts vaart Sjirk Haga met een lading takkenbossen voor de bakkers in de wijde omgeving van Gaasterland. |
| |
| |
| familie van der Werf |
| |
Onderstaand verhaal is letterlijk overgenomen uit het familiealbum van de familie van de Werf. Het verhaal van Dominicus en Ane van der Werf scheepstimmerman op de scheepswerf "De Helling" . Het is geschreven in 1980. |
| |
Bij de aanvang van het Tsjamkedijkje, waar de bebouwde kom van Balk eindigt, tegenover de boerderij van Trijntje Oostenburg, bevond zich vroeger het schiphuis van Popke Poppes, alsmede een apartement waar schippers en vreemdelingen zittende hun overtolligheden konden deponeren. Iets verderop lag de helling van Douwe (Dominicus) van der Werf. |
De grote en de kleine helling. Op de grote helling werden schepen van plm. 20 tot 30 ton gerepareerd. De kleine helling was bestemd voor kleinere vaartuigen, pramen, zeilboten enz. |
Douwe van der Werf, de hellingbaas, was breed geschouderd, kort en gezet en steeds goed gehumeurd. De kleine guitige ogen van deze goede mens straalde goedheid en welwillendheid uit. Eeuwig rookte hij uit een heel kort kalken pijpje en blies dan kringetjes rook de lucht in. Trots zijn grappige aard voerde hij voortdurend een scherp en bekwaam toezicht op zijn bedrijf. |
Zijn vrouw Reinskje was in veel opzichten zijn tegenbeeld. Zij was lang en mager en liep ietwat voorover gebogen. Haar wangen waren ingevallen en scherpe diepe lijnen lagen om haar mondhoeken. Zij was niet gemakkelijk maar offerde zich in letterlijke zin "van de vroege morgen tot de late avond" op voor haar gezin. De jongens "die vaak met veel lawaai langs de helling kwamen, als ze gingen zwemmen in het meer" noemden haar oneerbiedig "hellingwief", naar ik denk omdat ze deze knapen vaak op ongezouten manier in hun baldadigheid kwam storen. |
Het gezin bestond, naast vader en moeder , uit negen kinderen. Vijf jongens en vier meisjes. De jongens waren Joachim, Pier, Gooitsen, Joeke en Ane. De meisjes heetten Vogeltje, Gooikje, Sjoerdje en Marie. Behalve Joachim, die te makkum aan een scheepswerf werkte, waren de jongens allen werkzaam in het bedrijf van hun vader. het waren ruwe, maar eerlijke kerels, met door weer en wind gebruinde koppen. |
Zij werkten onder allerlei weersomstandigheden, bij hete zonneschijn, maar ook bij harde, koude wind, die heel guur vanuit het noorden of oosten over het Tsamkedijkhe kon waaien. Zij waren veelal besmet met pek en teer en verrichten hun arbeid in vaak moeilijke houding. Niet zelden lagen ze op hun rug onder de schepen te breeuwen. Ze waren verschillend van aard en karakter, maar hadden dit gemeen, dat niets hun te moeilijk of te zwaar viel en hun ijver onbegrensd. |
Een hunner, Joeke (een beste vent) is tragisch om het leven gekomen. Het was op een zaterdagavond dat hij en zijn broers naar het dorp waren gegaan om zich te laten scheren. Er volgden drie zondagen aaneen. Maandags en dinsdag was het Kerstmis. 't was stormachtig weer. Bij hun thuiskomst woei Joeke een nog nieuwe pet van zijn hoofd en kwam in de Luts terecht. Toen ging Joeke "het was reeds lang duister"met een platte schouw er achter aan. Er stond een hoge golfslag. De schouw liep vol water en zonk. Joeke verdronk. |
|
bron: Leeuwarder Courant 25 december 1894 |
Drie dagen werd naar hem gezocht en op de laatste der zondagen 's middags omstreeks drie uur, werd zijn lijk op enige afstand met een sleepnet boven water gehaald. Almaar weer inde dagen, dat men zoekende was, kwam zijn moeder naar buiten en tuurde wezenloos over de watervlakte, de tranen van haar ogen drogende. Wie kon haar smart peilen? God alleen. |
| |
|
foto 161-012 beschikbaar gesteld door Piet van der Wal |
| |
De helling was een florisant bedrijf. Vele jaren "vanaf het vroege voorjaar tot laat in de herfst" lag er een schip op de werf. Alle schippers van Balk en omgeving kwamen er dokken, en dat waren er heel wat. Ook de kleine helling was meestal bezet. Op gestelde tijden werd ook de boeier uit het schiphuis van Poppe Sikkes gehaald en opgeknapt, geteerd en geschilderd en de dolfijn die het roer versierde kreeg een nieuw verguldsel. Gezeild met de boeier werd er echter nooit. In de grote schuur, die bij het bedrijf behoorde, stonden 's winters meestal een paar jollen op stapel. Ja, de scheepvaart en de visserij beleefden haar hoogtepunt. Later kwam de kentering. Het vervoer verplaatse zich van het water naar de wegen. De houten schepen moesten geleidelijk plaats maken voor die van ijzer en het bedrijf van die goede Douwe van der Werf ging moeilijke tijden tegemoet en was tot ondergang gedoemd. |
Het bedrijf van die goede Douwe van der Werf ging moeilijke tijden tegemoet en was tot ondergang gedoemd. Het staat er zo eenvoudig alsof het de meest gewone zaak ter wereld gold., maar voor degenen, die bij het feit betrokken waren, was de aangelegenheid van diep ingrijpende betekenis. De zonen dir tot dan toe bij vader gewerkt hadden moesten elders emplooi zoeken. Dat waren Pier, Gooitsen en Ane. Joachim werkte reeds lang elders en Joeke was tragisch om het leven gekomen. |
Gooitsen bleef te Balk en stierf op 2 januari 1941, datzelfde jaar stierf ook Joachim, die op een scheepswerf te Harlingen werk had gevonden. In 1942 stierven Gooikje en Marie. Pier was reeds in 1914 te Harich overleden. Pier zijn vrouw was reeds in 1909 overleden. Hij liet vier kinderen achter, waarvan de jongste nog maar vijf jaar oud was. De Meesten van deze kinderen werden bij familie ondergebracht. |
We zien vaak het leven van de zogenaamde groten dezer aarde in pers en literatuur beschreven. Wie is groot in de ogen van God? Waarom zouden wij niet een greep doen uit het leven van de gewone arbeidende mens en vertellen over hem? Hoeveel moeite en zorgen, hoeveel inspanning kostte het (vooral 70 jaar geleden) aan de arbeider, die niets had aan te bieden dan zijn arbeidskracht, om een gezin op te bouwen en door de wereld te helpen. Het leven kon voor de meesten hunner keihard en meedogenloos zijn. |
Ane in zijn oude belapte kleding, besmeurd met teer en pek. Op zijn door de zon verbruinde kop droeg hij veelal een oude vilten hoed. Hij liep op zware klompen, voorzien van de nodige krammen. Lichamelijk geleek hij op zijn moeder, maar in zijn aard meer op zijn vader. Van hem kregen de kinderen, als ze geholpen hadden een schip op de helling te draaien, ter beloning een stuk pek op te kauwen. |
De helling verdween en ook Ane moest elders werk zoeken. Hij zocht en vond het in Duitsland. Het betekende afscheid nemen van de hem dierbaar geworden omgeving. Hij zou voortaan de zon niet in de Luts zien schijnen. Vaarwel helling, vaarwel Tsjamkedijkje, vaarwel Slotermeer, vaarwel Balk. Van 1905 tot 1917 werkte hij in Duitsland, in het Ruhrgebied te Essen. Eerst bij een houthandel en nadien enige jaren in het bos van villa Hugel van dr. Alfred Krupp. Toen werd tijdens de eerste wereldoorlog ook in Duitsland de toestand precair en Ane keerd met zijn gezin naar Friesland terug. Hij vond arbeid aan een scheepswerf te Makkum waar hij verbleef tot 1924. Daarna vestigde hij zich te Bedum waar hij op Goede Vrijdag van het jaar 1953 stierf. Ane had 10 kinderen ( een jongetje stierf in Duitsland). Er zijn nu (1980) nog zeven van zijn kinderen in leven. |
Ja, het leven van Ane van der Werf was een leven vol zorgen en moeite, maar hij heeft een goede strijd gestreden. |
Wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik weer de helling. Ik ruik weer teer en pek, ik zie weer schippers, ik zie weer het Tsjamkedijkje, ik zie weer het ouderlijk huis met de fruitboom voor de gevel. Ane lacht me toe en geeft me stuk pek, ik hielp een schip op de helling draaien. |
| |
|
| |
 |
| Op de foto Harmen Hoogeveen (1891-1970) zittend op het hek en Fetje Hoogeveen - Veldhuis (1886-1952) met dochter Antje op de arm. Fetje Veldhuis was op dat moment zwanger van hun tweede dochter Martzen. Martzen (Matsje) is geboren op 10 januari 1922 dus de foto is genomen in de late herfst van 1921. |
| |
 |
| foto 003-208 beschikbaar gesteld door Berend Bakker |
Het schip "De nieuwe zorg" (46 ton) van Hisse Lycklema voor de wal in de winter van ?? |
| |
 |
| foto 003-207 beschikbaar gesteld door Berend Bakker |
| |
 |
| foto 003-210 beschikbaar gesteld door Berend Bakker |
Het schip voor de wal is "De Nieuwe Zorg" (46 ton) van Hisse Lyklema. Het schip is in gebruik geweest bij de familie Lyklema van 1922 tot circa 1968. Het schip vaart nog steeds. Het is omgebouwd tot jacht.
|
| De vrouw op straat is Aaltje Kuiper (1904-1982) getrouwd met Marten Lyklema (1899-1965). Daarachter is nog net de arm te zien van Antje van Randen, de vrouw van schipper Hisse Lijklema. Marten Lijklema was van 1940 tot 1959 concierge van het gebouw van Christelijke Belangen aan de Meerweg. |
| |
|
foto 213-002 beschikbaar gesteld door Bokke Lijklema |
De woning van de familie Lijklema met rechts op de achtergrodn de loodsen van de firma Spaans |
| |
 |
| bron: Leeuwarder Courant van 1 oktober 1970 |
| |
| |
| Balkster "Helling" |
Ut 'e lapekoer; geschreven door D.M. van der Woude in 1969 |
| |
D.M. van der Woude is het pseudoniem voor Douwe Miedema (1901-1978). Het gezin Miedema woonde van 1909 tot 1913 aan het Tsjamkedykje op de Helling. Vader Miedema werkte op de Volharding van Meinesz. |
| |
Okkerdeis hearde ik, dat de huzen fan de Helling by Balk tsjin 'e groun geane. - Dy meidieling die my dochs wol even hwat! It hat ienris, om mei Piter Jelles to praten, myn "jongensparadys" west. As in soarte blineterm hong froeger oan Balk fêst is buorrentje "De Helling". Nou is it der ien gehiel mei, mar doe moast men der komme lâns it Tsjamkedykje mei oan de iene kant de Luts en oan de oare kant in sleat foar de lannen. Men koe oer dy lannen in hiele wide romte yn sjen nei Loarrebuorren en fierderop nei Harich en Ypekelsgea. It nuvere wie, dat ik buorrentsje, in 80 - 90 meter fan it lêste hûs (in buorkerij) fan Balk, ûnder it fierderop lizzende doarp Harich hearde, lyk as ek de trije buorkerijen oan 'e Marswâl. (Hielkema, Albada en Dykstra). Ien fan dy hûnderten singeliere grinsgefallen yn ús gea. |
"De Helling": Alinne de âlderein wit noch, dat dêr ienris in helling stien (lein) what. By dy helling dat streekje huzen, dat der de namme fan krige en dat nou de langste tiid der west hat, om plak to meitsjen foar industry. |
Fjouwer wenten en in skuorre, wûnderlik oaninoar en yninoar om boud. Fiif húshâldingen wennen der: Pier van der Wefterrff, mei fiif bern en in swakke frou, dy't oen'e tarring jong stoarn is. Wy wiene mei ús trijen, letter fjouweren. Dan Kaem âlde Tite mei har ûngetroude soan Jan Bremer. Yn it hûs mei de skuorre en dan oan it paed: Bouwe de Boer, ek mei trije bern en ien fan syn twadde frou. |
De beide famkes, Tryntsje en Sjoukje, rounen yn it swart fanwegens har mem, dy't in pear jier earder forstoarn wie. Dat neamde men "yn'e rou". Harmen wie ek yn donkere klean. En earne efter yn de skuorre de wente fan de fiifde húshalding, ek mei bern, fan hwa't my de nammen ûntsketten binne. Se rekken al gau nei Amearika; ik wit noch dat ik oan de jonge in doaske mei kleurkryt as ôfskiedspresint meijoech. Yn harren hûs kaem doe Jan Douwes, in fisker, mei syn frou "Jan Douwes-Pytsje", de Balkster baker, dy't op in tsjusterejoen dêr fordronken is. Hwant: yn Balk sels stiene wol hjir en dêr petroaljelantearnen, mar net de kant nei de "Helling" út. |
It Tsjamkedykje hat ner wurdenou in knappe wâlbeskoeijing en in moaije klinkerstritte. En it pead nei de mar is ek in ein better wurden sûnt men it belang fan rékréaesje en campings ynsjoen hat dêr oan'e ein fan de Luts! |
Doe, in 60 jier lyn, o!, o! dt hûndert meter Tsjamkedykje! Fan Balk nei de Helling. In great part fan it jier ien weake, smoarge dridze, hwert mar min lâns to kommen wie, en men gean moast sykjend om de bêst bigeanbere plakken. Men sakke oan de ankels yn'e drek wei en ús klompen bleauwen der bytiden yn ?????? ? / / / / der weard neat oan dien As it winters bigoun to friezen, wie it healendal klear. Dan koene jo wôl droech oerkomme, mar it wie suver hielendal net to rinnen op de bonkerige kluten mei iisgatten dertusken. |
Yn droege simmerritten gyng it wol en dêr profitearren op waerme dagen hiel wat skoalbern en jongfolk fan, dy't by ús lâns rounen of fytsten nei de mar om to baeijen. Nóu praet men fansels fan "swimme", mar wy seine "baeije". Dat gyng samar. Elk klaeide hin oan'e kant gewoan út, swimbroekje oan en yn it wetter. Gjin froulje fansels. Fan in swimynrjochting mei klaeihokjes wist men net. Jonges oant sahwat tolve jier ta sprongen meastal spierneaken yn en men foun dat hiel gewoan. As skoalbern sieten wy der "yn baeijerstiid" yn elk gefal op woansdei en sneontomiddagen in hiel skoft. Gauris, as wy heal oanklaeid stiene, kamen oare maten en dan sprongen wy der foar de gesellichheit ek mar wer efkes by yn... |
Om werom to kommen op de "helling". Der wie yndied noch in helling. Net botte nij en stevich mear en ek net mear kapabel foar skippebou. Mar der waerd dochs wolris in skip of in bok op draeid - wy mochten dan "helpe" - om neisjoen to wurden. Pier van der Werff siet dan letter op in blok ûnder sa'n skip om de naden op'e nij to brouwen mei in soarte touplusel. |
Lyk as sein: der wiene "op'e helling" bern genôch om geregeld boartsje to kinnen en de romte wie der ek. De hellingpeal- en slide en hwat der om en by hearde, wie in moai boarters "objekt", mar oars wie der ek wol de romte foar spultsjes. Wy koene altyd noflik oangean. Wy mochten eins net yn it lân, mar dérom diene wy it fansels wol. |
Oan de oare kant wie de Luts; wy sieten faek by it wetter en wy boarten der by om. Hoe faek ien fan de hellingbern net yn'e feart sitten hat, komt net sa lyk. Twa kear hat it my nei stien en ienkear ha 'k it op it nipperke rêdden. Ik hie krekt fytsen leard. Ik wie in 12 - 13 jier en by dat learen hold heit my fêst of draefde der efteroan. Sa gyng dat! Op in kear wie ik mei in grouwe woartel fan hûs gong. Op it Tsjamkedykje gnauwde ik dêrfan, mar ik rekke mei de oare hân it stjûr kwyt en ik ried op it wetter ta en mitere de feart yn... As Pier yn syn molkeskouke net krekt tafallich myn hân boppe it wetter útstekken sjoen hie, hie ik nei gichem west! |
Pier hie it net maklik. It wie dêr djip en hy wist earst net krekt it rjochte plak. Hy stie suver oant de hals ta yn it wetter. Letter fortelde hy: "Ik raemde al yn it wetter om, mar foun neat. Doe skopte ik tsjin'e fyts oan. En noch even letter fielde ik mei myn poat syn poat. Doe hie 'k him gau te grazen", - Op'e wâl like it earst net al to bêst, mar ik kaem gau by en steunend op Pier kon ik thûs komme. In hiele alteraesje op it streekje! |
It wenjen op'e helling wie gesellich. Net in drokke, gâns skipfeart. Boaten en skûtsjes en hwat mear op it wetter forkearde. Oan de oare kant fan de Luts, nêst it féfoerfabryk, wie in hoeke ût'e wâl fretten. Dat wie it swaeigat. As Jan brouwer mei syn stomboat fan Snits kaem., waerd dêrre swaeid, om dan mei de kont fan de boat afterstefoarst Balk-yn to polskjen. Dy swaeijerijen wiene foar de bern altyd in feestlik barren. It joech fortier en ek hwat kontakt mei de bûtenwrâld, de greate stêd Snits! |
En winters, as der iis yn de Luts lei en it dêrta tiid achte waerd, kaem de boat mei in hege boech om it iis to brekken. |
As men der oan tinkt, hoe't men froeger wenne en libbe! Wij hiene in kanp nij hûs, mar it wie mar in kemaer mei in gong. Oan'e ein fan de gong stie de kookkachel. Yn de gong de treppen nei de souder. Foar hûs in reinwetterbak en oan wearskanten in fjouwerkante meter tûngroun. Us mem boude dêr pronkappels! |
De fiif hûshâldingen hiena twa hûskes ta har geriif; dy dingen stiene boppe in âld sleat, dy't dan ek skytsleat neamd waerd. Hwa't der fan ús hinne woe, moast sahwat it hiele streekje huzen foarby rinne en dan noch in hoeke om, om der to kommen! Op tsjustere en winige winterjounen wie it gjin trewes om der hinne en men moast jin dan ek goed klaeije! |
Men libbe lykwols yn frede meijinoar, sahwat op'e romt mei it gesicht op Wikel en Harich en Balk en op de mar. Oan'e Luts, nei de mar ta groeide ries en allerhânne oare wettterplanten mei blommen en fruchten al nei de tiid fan it jier. |
Ek dêrre, oan'e wetterkant, waerd hiel hwat bernewille smakke - it wie in stik natuergebiet, forboun oan it jongesparadys. |
| |
|
| |
|